• Lindsey De Grande

Mei 2015: Die ochtend aan de telefoon...


Soms wil je een telefoon al dicht gooien nog voor je goed en wel de persoon gehoord hebt.

Zo geschiedde vandaag. Via via hoorde een dokter over mijn boek en had aan een patiënt die ik ook ken gezegd: als ze wilt, moet ze maar eens contact met me opnemen. Tegen dat die boodschap bij mij kwam, was het weliswaar: de dokter zou graag hebben dat u hem eens opbelt, én misschien was dit al de verkeerde invalshoek om aan het telefoongesprek te beginnen. Wist ik veel.

Toen ik ongeveer 10 ademhalingen later te horen kreeg, mensen met Chronische Leukemie hebben over het algemeen weinig klachten, was mijn ademhaling in de verste verte niet meer te bespeuren. Gestokt en ongeloof. Daar hadden we het weer. De zoveelste in de rij, de zoveelste crash omdat ze véééééél te kort door de bocht gaan. De zoveelste algemene uitspraak, die er helemaal geen is. Dokter of niet, onbekend of niet, dat moet maar eens gedaan zijn, vond ik. Waarop ik zei: ja dokter, kijk, op dat vlak denk ik dat ik een hele lange discussie met u kan aangaan, maar ik stel voor dat we het zo laten. Telefoongesprekken en mezelf, dat beperk ik immers tot een absoluut minimum. Maar dat zou hij waarschijnlijk niet begrijpen, aangezien mijn extreme vermoeidheid, mijn hevige en bonkende hoofdpijn, mijn wazig zicht en spier- zenuwpijn er voor hem niet zijn. Om van de rest nog maar te zwijgen. Ik voegde er wel nog aan toe, uit eigen ervaring en deze van veel lotgenoten, kan ik u hier in niet volgen. Waarop ik mijn zin vastbesloten eindigde. Meer woorden hoefde ik hier niet aan vuil te maken.

‘U zou waarschijnlijk graag hebben dat uw boek een beetje verkoopt?’ Was de volgende vraag. Ook daar ligt m’n nuance ‘lichtjes’ anders. Verkopen is voor mij absoluut niet prioritair. Mensen een steun bieden, een luisterend oor, wakker schudden, én zo’n uitspraken als diegene die ik zonet te horen kreeg de wereld uithelpen, dat wel. Graag. Met alle plezier. Ik wil er zelfs m’n weinige energie insteken. Al worden die kleine sprankeltjes snel vlammetjes, wanneer ik zo’n gesprekken laat bezinken. Ik vond de woordkeuze niet zo fijn gekozen. Het werd stilletjes aan de rode draad in het nog steeds korte telefoongesprek.

Wat ik precies wel nam, van medicatie. En of ik wist dat er nog andere soorten medicatie waren. ‘neen, weet je wat, neen. Ik voel me alle dagen ellendig, maar ik hou het daarbij. Ik ben niet op zoek naar andere oplossingen, ik vind het allemaal prima om me lekker slecht te voelen. En dat al 4 jaar aan een stuk.’ Dat dacht ik misschien wel cynisch, maar luidop vertelde ik in 5 woorden de aaneenschakeling van soorten medicatie en dosisveranderingen die ik had door gesparteld. Nog steeds.

‘Oh en ik deed topsport, of ik dat nu ook nog deed’? Sommige mensen lijken écht van een andere planeet te komen. In 3 minuten telefoon, had ik alle frustraties van m’n boek, alle clichés en taboes, van de afgelopen 4 jaar, van de omgang met chronisch zieke mensen, mensen met kanker, van het uiterlijke waarop je niet kunt afgaan én van die orde van chemische rommel in m’n lichaam gehoord. Nou, dat hebben we mooi weer gehad. Misschien lezen ze de 120 pagina dikke bijsluiter van mijn tumorremmers niet. De bijsluiter die zij wél te zien krijgen, in tegenstelling tot de patiënten. Misschien troost de illusionaire gedachte hen, dat het allemaal eigenlijk goed mee valt. Ze moeten immers goed kunnen slapen, iets wat ik al 4 jaar niet meer doe. Neen, dit gesprek, troost mij alvast niet.

Ik sloot af met de woorden, bedankt voor uw tijd én wie weet tot nog eens. Terwijl ik eigenlijk dacht, je begrijpt er geen knol van, misschien moet je m’n boek ook maar eens lezen. Misschien wordt die: tot nog eens, dan wat aangenamer. Voor jou én voor mij.

6 keer bekeken0 reacties